Betondorp en Baksteendorp vormen schizofreen tuindorp

Vrijdag 27 maart 2026 was de presentatie van de ‘tuindorpenwandelgids’ Dwalen door een ideaal. Wandelen langs tuin- en fabrieksdorpen. Ik kwam de makers online tegen in onze gelijktijdige zoektocht naar de meest bijzondere – en in het geval van Yolande Emmelot en Sjoerd Karsten best bewandelbare – tuindorpen van Nederland. Een ontmoeting in levenden lijve volgde volgde al snel, waarna we elkaar bleven tippen over mooie tuindorpvondsten.

Al maanden voor de verschijning van de gids liep ik in Groningen een van hun wandeling voor. Ook aan de presentatie ging een wandeling vooraf, vanaf station Amsterdam Amstel via het naoorlogse Tuindorp Amsteldorp naar Tuindorp Watergraafsmeer, waar de gids werd gepresenteerd in een zaaltje bij een van de prachtige scholen die het tuindorp rijk is. Inmiddels heb ik nog een wandeling uit de gids gelopen langs Rotterdamse tuindorpen.

Amsteldorp | Amsterdam | foto: Bart van Hoek

Betondorp is eigenlijk een zeer atypisch tuindorp met zijn modernistisch ogende betonarchitectuur, terwijl de meeste tuindorpen in traditionele architectuur en traditionele materialen zijn gebouwd. De betonexperimenten die in de grote steden werden uitgevoerd kwamen tot stand in een tijd dat de prijs van baksteen en de arbeidskosten hoog waren. Sommige wethouders en architecten zagen in beton een goedkoop alternatief voor de bouw van hun volkswoningen.

Ook op de cover van de Atlas van tuindorpen van Nederland prijkt een van de meest in het oog springende betonnen gebouwen van Betondorp, een prachtige door Jo Mulder ontworpen winkelwoning aan de Onderlangs. Een gedurfde maar krachtige keuze van de fantastische vormgevers Haico Beukers en Marga Scholma. Zo kan deze tuindorpenatlas zich qua uiterlijk prima meten met mijn (ons) eerdere boek Bruut, atlas van het brutalisme in Nederland. En dankzij de verschillende betonnen tuindorpen in Rotterdam, Amsterdam en Den Haag kon ik me eens goed verdiepen in de beginfase van de betonbouw in de sociale woningbouw.

Betondorp | Amsterdam | foto: Bart van Hoek

Schizofreen tuindorp in baksteen en beton

Het grootste deel van Tuindorp Watergraafsmeer is gebouwd in baksteen en dakpannen, maar toch kennen de meeste mensen de wijk als Betondorp. En wie Betondorp zegt, zegt Johan Cruyff. Op het centrale plein met de dorpse naam Brink staat een monument voor de beste en beroemdste voetballer van Nederland: een Lego-achtige voetbalschoen met nummer 14 erop.

Behalve Cruyff groeide volksschrijver Gerard Reve er op – zijn ‘De Avonden’ speelt deels in ‘Cementwijk’. Ook woonden actrice Willeke van Ammelrooy, voetballer en trainer Bobby Haarms – stadion Watergraafsmeer lag om de hoek – en fotograaf en cineast Ed van der Elsken er.

In een televisie-interview uit 1963 schetste Gerard Reve een donker beeld van de buurt waar hij de eerste veertien jaar van zijn leven woonde. In ‘Baksteendorp’, niet in Betondorp: “Over deze hele buurt, de huizen, tuinen, daken, straten, pleintjes heeft altijd voor mij een sfeer gehangen van onpeilbaar diepe, onontkoombare weemoed. ‘Laat elke hoop varen, gij die hier opgroeit’, aldus zou ik mijn gevoelens kunnen samenvatten.  (…) Vrees, gevaar, eenzaamheid, de huizen evenzovele grotten en holen, bewoond door onberekenbare demonen, dat is eigenlijk mijn jeugd.” Of Reve’s visie breed gedragen werd door zijn buurtgenoten is de vraag.

In het tuindorp woonden vooral jonge, beter opgeleide arbeiders van sociaaldemocratische signatuur, die de relatief hoge huren konden betalen. Kerken en kroegen waren niet nodig voor dit rode volkje van geheelonthouders, voor wie religie opium was. Op 1 mei, de Dag van de Arbeid, was het er een zee van rode vlaggen. 

De annexatie van Watergraafsmeer

Om annexatie door Amsterdam te voorkomen, stelden Pieter Vorkink en J.P. Wormser een zeer ambitieus uitbreidingsplan op voor Watergraafsmeer. In dat plan uit 1907 werd gerekend op een groei tot een stad met 200.000 inwoners – veertigmaal het aantal inwoners van dat moment – en de bouw van 25 kerkgebouwen, twee stations en een ‘groep musea’. Veel aandacht voor de bouw van arbeiderswoningen was er niet. De gemeente zat niet te wachten op een toestroom van armlastige Amsterdammers. 

Het plan bleek uitstel van executie: in 1921 werd Watergraafsmeer ingelijfd door Amsterdam. Vooruitlopend op de annexatie maakten Jan Gratama en Gerrit Versteeg voor de gemeente Amsterdam en de woningbouwcorporaties Algemeene Woningbouwvereniging (AWV) en Eigen Haard in 1918 een stedenbouwkundig plan dat was gebaseerd op dat van Vorkink en Wormser. Het  spinnenwebachtige stratenpatroon werd overgenomen, met vanuit de centrale Brink uitgaande hoofdassen waartussen ruimte was voor een vrijere invulling. 

Betonbouw

De bouwprijzen per woning verviervoudigden tussen 1914 en 1919, onder meer doordat baksteen en metselaars duur waren. Dat leidde tot een zoektocht naar nieuwe, goedkopere bouwmethoden en bouwmaterialen. Beton was goedkoper dan baksteen.

Op verzoek van de wethouder van Volkshuisvesting Floor Wibaut deed de Gemeentelijke Woningdienst van Amsterdam, ook om kosten te besparen, onderzoek naar nieuwe woningbouwsystemen. De directeur van de Woningdienst, Arie Keppler, maakte een studiereis naar Engeland langs betonbouw en tuindorpen, medewerkers gingen voor inspiratie langs bij betondorpen in Duitsland.

In datzelfde jaar ging het Rijk akkoord met de financiering van de volkswoningbouw in beton, in 1922 stemde de gemeenteraad in met de bouw van 300 eengezinswoningen en 300 duplexwoningen onder leiding van de Woningdienst. Dit ‘Betondorp’ in Watergraafsmeer was na Kossel in Rotterdam [p. 000] het tweede volkshuisvestingsproject in beton.

De gemeente Amsterdam zag het grootschalige betonexperiment als een op zichzelf staande onderneming, los van de baksteenbouw door AWV en Eigen Haard. Dat leidde tot de enigszins schizofrene situatie dat in het plan van Gratama en Versteeg het tuindorp als één zelfstandige buurt werd ontworpen, bijvoorbeeld in de voorzieningenstructuur en de scholen, maar uit twee verschillende delen bestond: Betondorp en ‘Baksteendorp’. De verschillende materialen, met hun uiteenlopende eigenschappen, leidde tot een architectonische spagaat en tot ‘esthetische conflicten’. 

Brink | Betondorp | Amsterdam | 1930 | Stadsarchief Amsterdam, Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting

Experimenten in beton

De Woningdienst koos voor de betonbouw tien experimentele bouwsystemen, waarbij negen verschillende architecten betrokken waren. Ervaring met bouwen in beton was er vrijwel niet en zo kon het risico worden gespreid. Een ‘schoonheidscommissie’ bestaande uit de gerenommeerde Amsterdamse School-architecten Jan Frederik Staal, Berend Boeyinga en P. Vorrink moest eerst de ontwerpen positief hebben beoordeeld. 

Er werd geëxperimenteerd met montagebouw van geprefabriceerde betonelementen in de systemen Bron, Hunkemöller en Bims Beton Bouw, waarin goedkoop puimsteengruis was verwerkt. Aan de Landbouwstraat bouwde Dirk Roosenburg woningen in het Engelse Dorlonco-bouwsysteem, waarschijnlijk de vroegste woningen in Nederland met een volledig staalskelet. Het staalskelet werd bekleed met gaas met een pleisterlaag waarop betonplaten werden gemetseld.

Ook werd er gestapeld en gemetseld met betonblokken van de systemen Winget, Olbertz en Isotherm. Met Winget was al ervaring opgedaan in Tuindorp Oostzaan [p. 000] en de gemeente had een apparaat aangeschaft waarmee de holle betonstenen konden worden gemaakt. Ook werd er veel beton gegoten in de systemen Kossel – ook toegepast in de Rotterdamse Bloemenbuurt -, Non Plus en diverse toepassingen van korrelbeton.

Door het moderne, platgedakte uiterlijk van de bebouwing en de keuze voor beton werd Betondorp vaak gerekend tot Het Nieuwe Bouwen, hoewel verschillende betrokken architecten niets van deze stroming moesten hebben.

Jan Gratama en Gerrit Versteeg ontwierpen de 1000 woningen van ‘Baksteendorp’ in opdracht van de Algemeene Woningbouwvereniging en Eigen Haard. In 1922 was de kredietverschaffing door de overheid voor de eerste 302 woningen rond, in 1924 kon het tweede deel starten en in 1927 was de bouw voltooid. Aan de Tuinbouwstraat ontmoetten de betonnen en bakstenen woningen elkaar aan weerszijden van de straat. 

Oogststraat | Betondorp | Amsterdam | 1930 | Stadsarchief Amsterdam, Uitgeverij B.H. Gibaux & Co.

​​Brink

Tuindorp Watergraafsmeer kreeg tussen 1924 en 1928 een centraal plein (de Brink), waar ondanks de crisis toch opvallend veel voorzieningen kwamen: een openbare leeszaal en bibliotheek, een verenigingsgebouw met verbindende arcade, winkelwoningen met poort en toren, middengeschakelde blokken met boven- en benedenwoningen en twee reeksen lage garages. Dick Greiner ontwierp dit ‘magnifiek samenhangend stedenbouwkundig geheel’ waarbij hij dankbaar gebruik maakte van korrelbeton, wat de gevels een karakteristieke ruwe textuur gaf. De plastische vormentaal – met in- en uitspringende bouwdelen, markante schoorstenen en zorgvuldig gecomponeerde hoekoplossingen – heeft het ensemble een uitgesproken sculpturaal karakter. Dit zeer geslaagde betonexperiment met zijn kubische vormen heeft de status van rijksmonument. Architect Jan Duiker sprak van revolutionaire bouwmethoden binnen de structuur van een Drents dorp, niet zo gek als het centrale plein Brink heet.

Brink | Betondorp | Amsterdam | 1928 | Stadsarchief Amsterdam, Bernard Eilers

Mislukte experimenten

De woningen die waren gebouwd volgens de systemen BBB, Dorlonco, Isotherme en Kossel functioneerden nog het best, zeker in de eerste twintig jaar. Bij de overige moesten al snel na oplevering reparaties worden uitgevoerd. Bij sommige betonblokken liep het zand eruit, soms staken theelepels en metalen fietsonderdelen die dienden als wapening door het behang heen. Vaak gleed het behang door het vocht in de muren spontaan naar beneden. 

Aan de Oogststraat bouwde architect Wim Greve 54 korrelbetonwoningen met goedkope niet-ontijzerde hoogovenslakken. Dat was fataal. Roest tastte het beton aan, de muren brokkelden af. Toen in 1955 een bovenwoning instortte werd duidelijk dat het experiment mislukt was. De woningen werden afgebroken en vervangen. Greve was zelf de uitvinder van het korrelbeton-gietsysteem en bouwde later met Van Tijen korrelbetonwoningen in de Rotterdamse Bloemhof, ongetwijfeld zonder de niet-ontijzerde hoogovenslakken.   

Om de minder geslaagde experimenten levensvatbaar te houden, werden vochtproblemen bestreden door het aanbrengen van houten gevelbekleding – bij Olbertz al na een jaar – of waterwerende lagen. In de jaren tachtig volgde een grootschalige renovatie en restauratie, waarbij gebruik werd gemaakt van het toen nog onbekende piepschuim als bouwmateriaal en van nieuwe gepleisterde isolatiesystemen. Betondorp kreeg in die tijd de bijnaam ‘Piepschuimdorp’. Onno Greiner restaureerde de door zijn vader ontworpen woningen rond de Brink. Positief was dat de originele kleuren en allerlei verloren gegane details werden teruggebracht. Na een langdurige en ingrijpende renovatie van hun woningen keerde circa 80 procent van de honkvaste Betondorpse bewoners terug. 

Leeszaal | Betondorp | Amsterdam | foto: Bart van Hoek

Decoraties

De entree naar de wijk vormt de markante door Joop Mulder ontworpen rij woningen met zebrapatronen aan de Duivendrechtselaan. De hogere kubistische hoekwoningen –  oorspronkelijk winkels – met wat kenmerken van De Stijl vormen de toegangspoort naar de Graanstraat en Schovenstraat. Andere decoraties zijn verdwenen of vervangen. Aan de Graanstraat en omgeving zijn Han van Loghem’s verfijnde ‘meanderpatronen’ boven de vier deuren vervangen door getrapte blokken in verschillende tinten grijs. Ook de decoratieve kartelranden die Gratama aanbracht op de dakranden van zijn woningen zijn verdwenen. Ook in bijvoorbeeld Utrecht, Den Bosch en Rotterdam is de  gevelversiering in de betonbouw verdwenen.  Hierdoor bleef volgens Marieke Kuipers het ‘later onder invloed van het Nieuwe Bouwen ontstane beeld van abstracte, decoratieloze (beton)bouw van woningen met gepleisterde gevels’ over. De enige afwijkende decoraties zijn de gipsen adelaarsfiguren van de Amsterdamse Adriaan Remiëns op de Bron-woningen van Dick Greiner, die in 1924 een atelier ontwerp voor deze beeldhouwer.      

De groenvoorziening was in de beginjaren van Betondorp goed verzorgd, met decoratief groen zoals klimop langs de betonnen gevels, ligusterhagen en bloemenperken. Hoe mooi het was, klinkt door in het volgende citaat van rond 1924, waarin Betondorp wordt omschreven als ‘een waar tuindorp van knusse gemoedelijkheid en gezellige samenleving, temidden van tuintjes, veldjes en groene hoven vol bloemen en groen’. De ‘mooie, gezonde’ kippen lopen los door de buurt. ‘Soms schijnt het of de huizen in het welig groen zijn neergeplant. In voorjaar en zomer snuift men het aroma der bloeiende heesters in de tuinen voor de huizen waaraan men voorbijgaat en reeds het gaan naar huis, van zijn werk uit de stad, doet de frisse buitenlucht smaken, ’, aldus H.W. Alings in zijn boek Amsterdamsche gevelsteenen uit 1949. 

Na de normalisatie van de prijzen aan het eind van de Eerste Wereldoorlog ging Nederland al snel weer over tot de traditionele bouw. Vlak bij de Brink kwamen tussen 1928 en 1930 nog veertig bejaardenwoningen naar ontwerp van Dick Greiner, gebouwd in baksteen.

Een aanvraag als rijksbeschermd gezicht werd in 2017 afgewezen, maar vlak voor het honderdjarig bestaan, in 2022, kreeg Tuindorp Watergraafsmeer wel de status van gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Zo blijft de wijk als geheel – beton en baksteen – bewaard. De gebouwen rond de Brink waren al beschermd als rijksmonumenten. De huizen in Betondorp zijn nog steeds eigendom van woningcorporaties Eigen Haard, Stadgenoot en Ymere. In 2024 vierde de wijk zijn honderdjarig bestaan. De klok in de toren aan de Veeteeltstraat werd ter gelegenheid daarvan weer aangezwengeld na vijf jaar te hebben stilgestaan.

Bronnen

Plaats een reactie